Sinds 17 februari 2005 is de bescherming van vliegtuigpassagiers uitgebreid in het geval zij te maken krijgen met een vertraagde, omgeboekte, geannuleerde of overboekte vlucht. De Verordening 261/2004 heeft regels vastgelegd inzake compensatie en bijstand van vliegtuigpassagiers die vertrekken van of naar een luchthaven in een lidstaat van de Europese Unie. De hoogte van de compensatie is afhankelijk van de duur van de vertraging en de lengte van de vlucht. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft onlangs in twee uitspraken (ECLI:NL:RVS:2016:1732 en ECLI:NL:RVS:2016:1733) geoordeeld dat bij het achterwege blijven van het bieden van compensatie, de Staatssecretaris van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu bij overtreding van de Verordening 261/2004 niet handhavend hoeft op te treden jegens vliegtuigmaatschappijen.

Achtergrond

In de twee bovengenoemde zaken hebben partijen verzocht om compensatie bij KLM en Royal Air Maroc wegens vertraging en annulering van hun vlucht naar respectievelijk Schiphol vanaf Curaçao en Casablanca vanaf Schiphol. In beide gevallen zijn de vliegtuigmaatschappijen niet overgegaan tot het betalen van een compensatie. Uiteindelijk hebben de passagiers de Staatssecretaris verzocht om handhavend op te treden jegens de vliegtuigmaatschappijen om hen, op grond van de Verordening, te bewegen alsnog compensatie te betalen. De Staatssecretaris heeft deze verzoeken afgewezen.

Bevoegdheid Staatssecretaris

Op grond van artikel 16 van de Verordening 261/2004 (hierna: Verordening) heeft iedere lidstaat een instantie aangewezen die verantwoordelijk is voor de handhaving van de Verordening. Indien dit nodig is kan deze instantie maatregelen nemen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de rechten van passagiers die worden beschermd door de Verordening worden geëerbiedigd. In Nederland is in de Wet Luchtvaart de Staatssecretaris aangewezen om handhavend op te treden bij overtreding van de Verordening. Zo is de staatssecretaris bijvoorbeeld bevoegd om tot handhaving over te gaan als onderzoek uitwijst dat een luchtvaartmaatschappij jegens passagiers stelselmatig weigert aan haar verplichtingen uit hoofde van de Verordening te voldoen.

Prejudiciële vragen

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:697 en ECLI:NL:RVS:2015:699, de zogenoemde verwijzingsuitspraken) geoordeeld dat de Staatssecretaris op grond van de Wet Luchtvaart bevoegd is om handhavend op te treden indien de Verordening door een luchtvaartmaatschappij stelselmatig wordt overtreden. Deze bevoegdheid brengt naar het oordeel van de Afdeling echter niet met zich mee dat de Staatssecretaris bevoegd is om in individuele gevallen handhavend op te treden. De Afdeling overweegt hierbij dat de verhouding tussen de passagier en de luchtvaartmaatschappij van civielrechtelijke aard is. Het recht op compensatie dient derhalve afgedwongen te worden via de civiele rechter. Een andere redenering heeft tot gevolg dat afbreuk wordt gedaan aan de taakverdeling van de rechterlijke macht in Nederland. Immers, in dat geval zou én via de bestuursrechter (door de Staatssecretaris) én bij de civiele rechter dezelfde rechtsvraag voorgelegd kunnen worden. De Afdeling verwijst ter onderbouwing eveneens naar de wetsgeschiedenis van de Wet Luchtvaart. Daarin wordt immers overwogen dat voor de overheid geen rol is om namens passagiers van een luchtvaartmaatschappij schadevergoeding te vorderen.

Onduidelijk is voor de Afdeling of misschien rechtstreeks uit de Verordening volgt dat de Staatssecretaris verplicht is om handhavend op te treden. In de uitspraak van maart 2015 besluit de Afdeling dan ook het Europese Hof van Justitie (hierna: “het Hof”) een prejudiciële vraag te stellen: “Verplicht artikel 16 van de Verordening de nationale autoriteiten ertoe om uitvoeringsmaatregelen te nemen die een grondslag bieden voor bestuursrechtelijke handhaving door de daartoe aangewezen instantie in elk individueel geval waarin compensatie wordt geweigerd, teneinde in elk individueel geval afzonderlijk het recht op compensatie van een passagier te kunnen garanderen?”

Het Hof heeft in zijn arrest van 17 maart 2016 (ECLI:EU:C:2016:187) geantwoord dat de Staatssecretaris niet verplicht is om in individuele gevallen handhavend op te treden tegen de desbetreffende luchtvaartmaatschappij om haar ertoe te bewegen alsnog de compensatie te betalen. Het Hof komt tot dit oordeel door te overwegen dat de Staatssecretaris er voor dient te zorgen dat de Verordening in zijn algemeenheid wordt nageleefd. De klachten die bij de Staatssecretaris kunnen worden ingediend, moeten worden beschouwd als signaleringen die bij kunnen dragen aan de naleving van de Verordening, zonder dat de Staatssecretaris verplicht is om naar aanleiding van deze klachten op te treden om het recht op compensatie van de individuele passagiers te waarborgen.

De Afdeling volgt het arrest van het Hof (zie de uitspraken van juni 2016) en komt vervolgens in beide zaken tot het oordeel dat uit de Verordening geen verplichting voor de Staatssecretaris voortvloeit om in een individueel geval handhavend op te treden tegen een luchtvaartmaatschappij.

Gevolgen uitspraken van de Afdeling

De uitspraken van de Afdeling leiden ertoe dat in individuele gevallen niet handhavend kan worden opgetreden door de Staatssecretaris. Passagiers zijn dan ook aangewezen op de civiele dagvaardingsprocedure indien een luchtvaartmaatschappij weigert compensatie te betalen in het geval van vertraging of annulering van een vlucht.

Catch Legal, Tanne van Wissen.

Heeft u een claim ingediend bij een vliegtuigmaatschappij, maar weigert de maatschappij u de compensatie te vergoeden? Onze juristen kunnen u helpen. Neem voor meer informatie gerust contact met ons op.