Wat was er aan de hand?

Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) heeft voor de duur van 10 jaar een omgevingsvergunning verleend voor 160 tijdelijke wooneenheden voor de huisvesting van statushouders en voor een aantal cultureel-maatschappelijke ruimtes.

De omgevingsvergunning is verleend met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure. Om precies te zijn: op basis van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in combinatie met artikel 4, aanhef, elfde lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Een gebrek! Wat nu?

Bij de rechtbank (2 augustus 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:7652) zijn eisers, nadat de bezwaarschriftenprocedure voor hen niet het gewenste effect opleverde, opgekomen tegen deze omgevingsvergunning met als argument dat niet de reguliere maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten worden gevolgd. Zij stellen namelijk dat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Indien sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject staat artikel 5, zesde lid, van Bijlage II bij het Bor eraan in de weg dat de reguliere voorbereidingsprocedure kan worden gevolgd. De regels schrijven dan voor dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden doorlopen, wat er onder andere op neerkomt dat een ontwerpbesluit ter inzage moet worden gelegd. Zonder op deze inhoudelijke grond in te gaan, volsta ik met de vermelding dat dit betoog slaagt. Conclusie: bij de verlening van de omgevingsvergunning is dus de verkeerde voorbereidingsprocedure doorlopen. Er is sprake van een gebrek! En nu?

De rechtbank onderzoekt vervolgens of dit gebrek gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel is ingegeven vanuit een proceseconomisch oogpunt en maakt het mogelijk om een gebrek in de besluitvorming te passeren indien belanghebbenden niet door dit gebrek zijn benadeeld.

Een belangrijk verschil tussen de reguliere en uitgebreide voorbereidingsprocedure is dat bij laatstgenoemde procedure een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad moet worden gevraagd voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend. Nu dit niet is gebeurd én het bouwplan niet is genoemd op de lijst van gevallen waarvoor de gemeenteraad een algemene vvgb heeft afgegeven, is sprake van een gebrek dat volgens de rechtbank niet gepasseerd kan worden. De gemeenteraad is ten onrechte buitenspel gehouden. Ook eisers (en anderen) zijn benadeeld omdat zij hun zienswijze over het bouwplan niet bij de gemeenteraad bekend hebben kunnen maken.

Wat vindt de Afdeling?

Het college gaat tegen de rechtbankuitspraak in beroep en stelt dat de rechtbank het gebrek ten onrechte niet met artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd. Er heeft namelijk inspraak over het bouwplan plaatsgevonden en het bouwplan heeft een groot maatschappelijk belang. Ook voert het college aan dat de gemeenteraad wel degelijk is betrokken bij het bouwplan, namelijk bij de verkoop van de grond waarop het bouwplan wordt ontwikkeld. De Afdeling gaat hier niet in mee (4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055) en licht toe dat een gebrek alleen gepasseerd kan worden indien het evident is dat belanghebbenden niet zijn benadeeld. Indien een gebrek moet worden hersteld, is volgens de Afdeling in beginsel geen sprake van een mogelijkheid tot passeren (de uitkomst van het herstel staat niet op voorhand vast). Volgens de Afdeling kan in dit geval niet worden uitgesloten dat derden een zienswijze over de ontwerp-omgevingsvergunning of de ontwerpverklaring van geen bedenkingen zouden hebben ingediend. Het enkele feit dat de gemeenteraad is betrokken bij de locatiekeuze of grondverkoop is onvoldoende.

Wat kunnen we hiervan leren?

De Afdelingsuitspraak lijkt niet op zichzelf te staan. Bij de uitspraak van 19 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1953) ging het om de situatie dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Het bouwplan voldeed niet aan de voorwaarden voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan waardoor een expliciete stedenbouwkundige afweging op dit punt ontbrak. Ook in dat geval kon het gebrek volgens de Afdeling niet worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Awb omdat ook hier niet kon worden vastgesteld of belanghebbenden door dit gebrek niet zijn benadeeld. Opmerkelijk is dat de Afdeling in het midden laat of de reguliere buitenplanse of uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd (dit levert een verschil in de kring van personen die mogen reageren op). Het toetsingscriterium is of het evident is dat belanghebbenden door dit gebrek niet zijn benadeeld. Bij een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning, waarbij altijd meerdere belanghebbenden zijn betrokken, lijkt dit op het eerste gezicht zelden het geval. Het blijft dus oppassen geblazen.

Catch Legal, Merel Brinkman

Heeft u vragen over bovenstaand artikel? Neem gerust contact op met een van onze bestuursrechtjuristen.