Geurhinder en recreatiewoningen: hoe lang is langdurig?

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) heeft bevestigd dat pas sprake is van een ‘geurgevoelig object’ indien sprake is van langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Maar hoe lang ‘langdurig’ dan precies is, is nog volstrekt onduidelijk. Een analyse van de jurisprudentie naar aanleiding van de uitspraak van 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:422).

De Wet geurhinder en veehouderij en langdurige blootstelling
De Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) schrijft afstanden tussen veehouderijen en bedrijven, woningen en andere geurgevoelige objecten voor zodat personen niet worden blootgesteld aan onaanvaardbare geurhinder. Voor de uitleg van de Wgv is doorslaggevend of sprake is van een ‘geurgevoelig object’. Artikel 1 van de Wgv bepaalt dat sprake is van een geurgevoelig object indien een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

In eerdere jurisprudentie heeft de Afdeling het begrip ‘geurgevoelig object’ zo uitgelegd dat de Wgv personen alleen beschermt tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1290). Deze jurisprudentielijn is in bovengenoemde uitspraak bevestigd.

Recreatiewoningen en andere (vaste) kampeermiddelen
Hoe zit dat dan met recreatiewoningen, stacaravans en andere (vaste) kampeermiddelen? Deze recreatieve onderkomens zijn geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en voldoen daarmee voor het grootste gedeelte aan het begrip ‘geurgevoelig object’, maar wordt ook voldaan aan het tweede (in de jurisprudentie ontwikkelde) vereiste: langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen?

Wel indien het gebruik van de recreatieve onderkomens in het bestemmingsplan niet is beperkt (ECLI:NL:RVS:2009:BJ8287 en ECLI:NL:RVS:2011:BR3990). In deze gevallen ging het om een mate van een woon- en verblijfsfunctie van de recreatiewoningen op een bungalowpark, waarbij tevens sprake is van (gedeeltelijke) permanente bewoning. Het is volstrekt logisch dat de Afdeling in bovengenoemde concrete situaties komt tot het aanmerken van de recreatieve onderkomens als geurgevoelige objecten, immers de gebouwen worden permanent of op daarmee vergelijkbare wijze gebruikt. Personen worden langdurige blootgesteld. Maar hoe zit dat als het gebruik in het bestemmingsplan van de recreatieve onderkomens wel is beperkt?

In 2014 bepaalde de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOV:2014:4200) dat bij een beperkt gebruik van zes maanden(circa 180 dagen) van stacaravans op een camping, er geen sprake is van een geurgevoelig object. Eerder (in 2012) heeft de Afdeling bepaald dat bij een kampeerboerderij waarvan het gebruik is beperkt tot maximaal 100 dagen per jaar, ook geen sprake is van een geurgevoelig object.

In onderhavig uitspraak van de Afdeling blijft het in het midden waarom de kampeermiddelen/recreatiewoningen wel geurgevoelige objecten zijn. In de objectieve begrenzing in het bestemmingsplan van het gebruik van maximaal 250 dagen per jaar, wordt geen aanleiding gezien om de recreatieve onderkomens niet als geurgevoelig object aan te merken. De Afdeling motiveert dat oordeel echter niet.

100 dagen is vooralsnog niet langdurig, 250 dagen lijkt naar het laatste oordeel van de Afdeling te lang. Dus: hoe lang is langdurig nu echt?

Catch Legal, Jet de Graaf, 28 februari 2015.
Meer weten? Neem gerust contact op.

Interessant artikel?

Share on facebook
Deel op facebook
Share on twitter
Deel op Twitter
Share on linkedin
Deel op Linkdin
Share on email
Deel via mail

Laat een bericht achter

Gerelateerde berichten