Een toezichthouder treedt bij de verdenking van overtreding van de Huisvestingswet een (huur)woning binnen die op dat moment wordt (onder)verhuurd aan toeristen. De toeristen laten de toezichthouder binnen. Kan de (ver)huurder/eigenaar dan later nog aanvoeren dat onrechtmatig is binnengetreden? Hieronder leest u het antwoord.

Onderverhuren van kamers

Appellant huurt een woning in de gemeente Amsterdam. De woning heeft drie verdiepingen met meerdere kamers. De gemeente ontvangt anonieme meldingen dat een aantal kamers in de woning wordt (onder)verhuurd aan toeristen. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) besluit hierop een toezichthouder en een bouwinspecteur langs te sturen om na te gaan of deze meldingen kloppen. De toezichthouder betreedt de woning en constateert dat kamers op de eerste en tweede verdieping inderdaad als bed & breakfast worden verhuurd aan toeristen. Er staan bedden, slaapbanken en losse matrassen waarmee in totaal tien slaapplaatsen aanwezig zijn. Appellant bewoont zelf alleen de derde verdieping.

Het college stelt zich op het standpunt dat appellant woningen aan de woningvoorraad heeft onttrokken, wat vergunningplichtig is op grond van artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet. Appellant heeft niet zo’n vergunning.

Om die reden krijgt appellant een boete opgelegd van € 13.500. Hij gaat hiertegen in bezwaar, in beroep en daarna in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Appellant zegt in deze procedure dat de toezichthouder onrechtmatig is binnengetreden: de toeristen, niet zijnde bewoners, kunnen volgens hem geen (geldige) toestemming tot binnentreden geven. Als gevolg hiervan is het verkregen bewijs onrechtmatig en mag het daarom niet worden gebruikt om een boete op te leggen.

Wat gebeurde er in dit geval?

Bij aankomst bij de woning legitimeert de toezichthouder zich aan de aanwezige Duitse toeristen die hij aan de deur treft. De toeristen laten de toezichthouder binnen. De toezichthouder kijkt binnen rond op de eerste verdieping. In de woning komt de toezichthouder appellant tegen, waarop appellant de toezichthouder -nadat de toezichthouder zich heeft gelegitimeerd en het doel van het onderzoek heeft medegedeeld- de tweede en derde verdieping laat zien.

Het binnentreden van een woning: hoe zit het eigenlijk?

In beginsel is een toezichthouder bevoegd om elke plaats te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner op grond van artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb). Een woning mag slechts in uitzonderingsgevallen worden betreden zonder toestemming van de bewoner, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. Eén van deze uitzonderingsgevallen is neergelegd in artikel 34 van de Huisvestingswet: een toezichthouder mag een woning binnentreden zonder toestemming van de bewoner bij overtreding van de Huisvestingswet. Er moet wel aan de twee voorwaarden van artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (verder: Awbi) worden voldaan namelijk: 1) een toezichthouder moet zich bij het binnentreden legitimeren en 2) de toezichthouder moet aangeven met welk doel de toezichthouder de woning wil binnentreden. In alle andere gevallen moet de bewoner wel toestemming geven tot binnentreden.

Hoe oordeelt de Afdeling?

Uit het rapport van de toezichthouder blijkt dat de toezichthouder zich heeft gelegitimeerd aan appellant en aan appellant kenbaar heeft gemaakt met welk doel hij de woning binnentrad. Voor wat betreft het binnentreden van de tweede en derde verdieping heeft hij aan de eisen van artikel 1, eerste lid, van de Awbi voldaan. Dit staat echter niet vast voor het eerdere moment dat de toeristen de toezichthouder binnenlieten. Vaststaat dat de toezichthouder zich heeft gelegitimeerd, maar het is niet zeker of hij ook het doel van het binnentreden heeft medegedeeld aan de toeristen op zodanige wijze dat de toeristen konden begrijpen wat er speelde.

De vraag of de toezichthouder rechtmatig is binnengetreden, hoeft in deze zaak (ECLI:NL:RVS:2019:1562) niet te worden beantwoord. Artikel 8:69a van de Awb voorkomt namelijk de vernietiging van het besluit. Dit artikel bepaalt dat iemand zich alleen kan beroepen op een norm als die norm beoogt zijn belangen te beschermen. In dit geval kan appellant zich niet beroepen op de eisen uit artikel 1, eerste lid, van de Awbi voor zover het gaat om het binnentreden van de verdieping waar de toeristen verblijven. Appellant is namelijk slechts bewoner van de derde verdieping. Als niet-bewoner kan hij zich niet beroepen op zijn huisrecht, omdat dit beroep alleen toekomt aan bewoners van een woning. Een dergelijk beroep heeft alleen kans van slagen als de voorwaarden voor binnentreden zijn geschonden voor zover het gaat om de verdieping die hij zelf bewoont. Pas dan is het huisrecht van appellant geschaad.

Conclusie

Dit lijkt op het eerste gezicht wellicht een opvallende uitspraak: het is voor de verhuurder van de woning onduidelijk of aan de vereisten voor binnentreden is voldaan, maar de verhuurder kan zich hier niet op beroepen als hij zelf geen bewoner van (dat deel van) de woning is. In het algemeen kan een (ver)huurder/eigenaar zich niet beroepen op het huisrecht voor zover het gaat om (delen van) de woning die hij zelf niet (meer) bewoont. Bijvoorbeeld als een deel van de woning wordt gebruikt als bed & breakfast. Zowel de Huisvestingswet als artikel 1, eerste lid, van de Awbi beogen namelijk alleen de bewoner te beschermen. Daarom is deze uitspraak eigenlijk wel logisch. Het is goed om u te realiseren dan een toezichthouder a) een woning mag binnentreden zonder toestemming van de bewoner als de Huisvestingswet wordt overtreden en b) dat alleen diegene die daadwerkelijk de woning bewoont, bescherming van zijn huisrecht geniet.

Catch Legal, Melissa Zee

Heeft u vragen over bovenstaand artikel? Neem gerust contact op met een van onze bestuursrechtjuristen.