Dat een bestuursorgaan binnen een termijn op een aanvraag moet beslissen en dat het uitblijven van een besluit kan leiden tot het door het bestuursorgaan verbeuren van een dwangsom, is inmiddels algemeen bekend. De wijze waarop het bestuursorgaan in gebreke moet worden gesteld, was voor appellant echter niet zo duidelijk (ECLI:NL:RVS:2014:2518).

De zaak
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet een bestuursorgaan binnen de bij de wet gegeven termijn een besluit nemen op een aanvraag. Ontbreekt zo’n termijn in de wet dan moet in ieder geval binnen een redelijke termijn op de aanvraag worden besloten. Ingevolge de Awb is deze redelijke termijn in ieder geval verstreken binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Laat het bestuursorgaan de beslistermijn ongebruikt verstrijken, dan kan een verplichting tot het betalen van een dwangsom ontstaan. Hiervoor moet de aanvrager het bestuursorgaan wel in gebreke stellen. Na ontvangst van deze ingebrekestelling heeft het bestuursorgaan uiterlijk twee weken om alsnog op de aanvraag te beslissen. Verloopt ook deze termijn, dan is het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verschuldigd voor elke dag dat het besluit uitblijft, met een maximum van 42 dagen.

Appellant heeft bij de college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) een verzoek om handhaving ingediend. Uiteindelijk heeft de gemeente veel te laat (de beslistermijn was zeer ver overschreden) op dit verzoek besloten. Appellant had in de gaten dat recht op een dwangsom kon ontstaan, maar slaagde er niet in om de benodigde ingebrekestelling op correcte wijze te verzenden.

Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt uit artikel 4:17, derde lid, van de Awb en uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling dat de schriftelijke ingebrekestelling aan het bestuursorgaan (in dit geval het college) moet worden gezonden. Appellant heeft echter aan de rechtbank laten weten dat hij aanspraak had op een dwangsom. Volgens de rechtbank en bevestigd door de Afdeling, is dat niet de juiste weg. De pleitnota die appellant tijdens een hoorzitting bij de gemeente heeft voorgedragen en aan de algemene bezwaarschriftencommissie van de gemeente heeft overhandigd, kan niet als een ingebrekestelling worden gekwalificeerd. Vereist is namelijk dat de ingebrekestelling aan het bestuursorgaan wordt gezonden.

Als wellicht laatste strohalm verwijst appellant naar eerdere correspondentie met de gemeente. Zo verwijst appellant naar een brief over de verleende omgevingsvergunning en een e-mailbericht waarin appellant, kort gezegd, aangeeft zich te storen aan de trage gang van zaken. Ook deze correspondentie kan naar oordeel van de Afdeling niet leiden tot de conclusie dat op juiste wijze een ingebrekestelling aan het college is verzonden. Het was immers niet voldoende duidelijk op welk te nemen besluit de ingebrekestelling betrekking zou hebben. De Afdeling oordeelt dan ook dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat, ondanks alle pogingen van appellant, een daadwerkelijk ingebrekestelling niet is ingediend. Zonder deze ingebrekestelling kan een recht op een dwangsom niet ontstaan.

Kortom
Bestuursorganen moeten binnen de wettelijke termijnen beslissen op een aanvraag. Doen ze dat niet, dan kan de aanvrager een ingebrekestelling sturen. Let dan goed op dat de (schriftelijke) ingebrekestelling aan het (juiste) bestuursorgaan wordt gestuurd. Geef daarnaast ook duidelijk aan op welk te nemen besluit de ingebrekestelling ziet.

Catch Legal, Tanne van Wissen.
Meer weten? Neem gerust contact op.