Op dit moment is de internetconsultatie over de wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht gaande. De wijzigingen van dit besluit zien op de verhoging van de proceskostenvergoeding in beroep en de bevoegdheid van de bestuursrechter om een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen bij kennelijk onredelijk handelen van het bestuursorgaan.

Hoe het is nu geregeld?

Indien een particulier of bedrijf in een bestuursrechtelijke procedure in het gelijk wordt gesteld, dan moet het bestuursorgaan de gemaakte proceskosten vergoeden. Proceskosten zijn onder andere kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, kosten van een getuige of tolk en verletkosten. Uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) volgt dat de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden berekend aan de hand van punten en proceshandelingen.

De waarde van één punt is nu voor zowel bezwaar als (hoger) beroep € 512,- (tarief 2019). Het indienen van een beroepschrift (1 punt), het verschijnen ter zitting (1 punt), het indienen van een schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep (1 punt) en het bijwonen van een getuigenverhoor (0,5 punt) zijn allemaal proceshandelingen die voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komen.

Een voorbeeld: voor een gemiddelde zaak waarbij professionele rechtsbijstandverlener betrokken is, wordt de hoogte van de proceskosten bepaald op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 512,- per punt en een wegingsfactor 1). Particulieren en bedrijven die verwikkeld zijn in een bestuursrechtelijke procedure weten uit ervaring dat de vastgestelde proceskostenvergoeding vaak niet representatief is voor de daadwerkelijk gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Waar zien de wijzigingen op?

Het Bpb wordt op twee onderdelen gewijzigd. De eerste wijziging betreft de verhoging van de waarde per punt voor de (hoger)beroepsfase naar een bedrag van € 717,- (een verhoging van 40%).

Daarnaast wordt de bevoegdheid aan de bestuursrechter toegekend om de waarde per punt te vermeerderen bij kennelijk onredelijk handelen van het bestuursorgaan. Deze bevoegdheid heeft de bestuursrechter nu ook al (in artikel 2, derde lid, van het Bpb), maar deze bevoegdheid wordt in de praktijk zelden toegepast. De omstandigheid waaronder de bestuursrechter een hogere proceskostenvergoeding kan toekennen wordt met de wijziging verduidelijkt.

Waarom een wijziging?

Als reden voor de wijziging wordt genoemd dat de verhoging bestuursorganen kan prikkelen om zich (nog meer) bewust te zijn van de gevolgen van hun handelen voor de particulier. Ook is de wijziging volgens de minister een signaal voor de bestuursrechter om zijn bevoegdheid om een hogere proceskostenvergoeding vast te stellen vaker toe te passen als het handelen van het bestuursorgaan daartoe aanleiding geeft.

In de bezwaarfase wijzigt er vooralsnog niets. De bezwaarfase is namelijk onder meer bedoeld voor het bestuursorgaan om het genomen besluit te heroverwegen en zo nodig te verbeteren. Dit heeft volgens de minister een belangrijke zeefwerking en voorkomt in veel gevallen een gang naar de rechter.

Een consultatiereactie over de wijziging van het Bpb kan tot 1 december 2019 worden ingediend.

Catch Legal, Merel Brinkman

Vragen over dit onderwerp? Onze bestuursrechtjuristen staan u graag te woord!