Maandoverzicht rechtspraak Omgevingswet – Januari 2024 (teller: 121 uitspraken)

Rechters in het omgevingsrecht moeten na 1 januari 2024 rekening houden met de Omgevingswet. Totdat we het zat worden, bespreken we (bij toerbeurt) maandelijks de opvallendste uitspraken over de Omgevingswet.

Deze maand mag ik aftrappen met een overzicht van de eerste gepubliceerde rechtspraak over de Omgevingswet. Blijft het bij het overgangsrecht of worden er al serieuze juridische knopen doorgehakt?

Overgangsrecht omgevingsvergunning

Voor we het door hadden, was op 3 januari 2024 de eerste (gepubliceerde) uitspraak al een feit. De rechtbank Midden-Nederland (Rb. Midden-Nederland, 3 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:13) bevestigt dat omgevingsvergunningaanvragen die voor 1 januari 2024 zijn ingediend volgens het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet nog volgens het oude recht (Wabo) worden afgehandeld:

Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.”

Al vrij snel daarna komt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met een overweging over het overgangsrecht bij omgevingsvergunningen:

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

“Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvragen om een omgevingsvergunning in deze zaak zijn ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Dit blijkt een standaardoverweging, want we lezen ‘m inmiddels in de meeste uitspraken van de Afdeling en rechtbanken terug, zie bijvoorbeeld ABRvS 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:44, ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:112, en zo nog meer.

Overgangsrecht bestemmingsplan

De Afdeling geeft ook een overweging over overgangsrecht bij bestemmingsplannen (inmiddels: omgevingsplan), zie ABRvS 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:48:

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip, van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 18 november 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

In een uitspraak over de afwijzing van de vaststelling van een wijzigingsplan is de overweging van de Afdeling iets beknopter (ABRvS 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:226):

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 11 april 2023 is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het besluit bepalend.

Overgangsrecht handhaving

We zijn benieuwd naar rechtspraak waarin een handhavingsbesluit centraal staat dat is genomen ná 1 januari 2024. Tot dat moment geldt ook hier overgangsrecht. En ook voor de behandeling van handhavingsbesluiten geeft de Afdeling een overweging, zie hiervoor bijvoorbeeld ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:153:

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Overgangsrecht diversen

Deze maand is ook (al) een uitspraak gedaan over toepasselijk overgangsrecht in planschadeprocedures (ABRvS 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:225) en bij een tracébesluit (ABRvS 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:276). Benieuwd naar de overweging die wordt gebruikt bij een Wnb-omgevingsvergunning? Ook die lezen we al meerdere keren terug, waaronder in de volgende uitspraak van de Afdeling (17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:129):

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

Uit een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2024:212) volgt verder dat,  zodra de uitspraak onherroepelijk wordt, een verleende ontheffing op grond van de Wnb gelijk wordt gesteld met een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de Omgevingswet:

Als deze uitspraak onherroepelijk wordt, wordt de op grond van artikel 3.8 van de Wnb verleende ontheffing gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 2.6, eerste lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.

In de laatste week van januari lezen we in het volgende arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85, terug hoe de hoogste civiele rechter overgangsrecht bij onteigeningsprocedures toepast:

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. In deze onteigeningsprocedure is op de voet van artikel 4.4 van de eveneens op 1 januari 2024 in werking getreden Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet het oude recht van toepassing. (…) Voor het in deze procedure ingevolge art. 40e (oud) Onteigeningswet toe te passen planschaderecht moet worden aangenomen dat eveneens het oude recht van toepassing blijft (vgl. art. 4.19 Invoeringswet Omgevingswet). (…)

De rechtsgevolgen van overgangsrecht

Het kan voorkomen dat de bestuursrechter tot de conclusie komt dat het besluit moet worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen wel in stand kunnen worden gelaten. Wat betekent dit voor de toepassing van het overgangsrecht? De rechtbank Oost-Brabant deed afgelopen maand hierover twee uitspraken.

In deze uitspraak van 8 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:26, vernietigt de rechtbank Oost-Brabant de vergunning, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit grotendeels in stand blijven. Dat geldt ook voor de voorschriften die hangen aan die vergunning:

De omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo geldt ingevolge artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1 tweede lid, van de Omgevingswet zodra het bestreden besluit onherroepelijk is. De vergunningsvoorschriften in het bestreden besluit blijven gelden als vergunningsvoorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. (…)

In de volgende uitspraak van 15 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:101, gaat de rechtbank Oost-Brabant nog een stap verder. Ook in deze uitspraak wordt, kort gezegd, de vergunning vernietigd en blijven de rechtsgevolgen (ook van de voorschriften) in stand. Daarbij heeft de rechtbank ook twee voorschriften vervangen. Maar hoe moet dit vernietigde besluit mét de vervangen voorschriften worden gekwalificeerd? De rechtbank Oost-Brabant maakt ons los:

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het herstelbesluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 2.7 van de Wabo. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde herstelbesluit in stand onder vervanging van de voorschriften 3.2.7 en 4.1.1 op de wijze zoals hierboven aangegeven. Volledigheidshalve merkt de rechtbank het volgende op. Artikel 4.13 van de Invoeringswet bepaalt dat, een omgevingsvergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich mee dat het vernietigde herstelbesluit met de vervangen voorschriften 3.2.7 en 4.1.1 geldt als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1 tweede lid, van de Omgevingswet zodra deze uitspraak onherroepelijk is.

Conclusie

Het overgangsrecht lijkt goed te werken! Vooralsnog zijn er geen echte lacunes geconstateerd in de wetgeving met ingewikkelde (juridische) gevolgen van dien. Inhoudelijk zijn bovenstaande overwegingen misschien nog niet heel spannend, behoudens een paar speldenprikjes, maar voor de praktijk van groot belang.

Wist u dat we sinds kort een hele website pagina hebben gewijd aan de Omgevingswet? Bekijk het hier!

 

 

Interessant artikel?

Deel op facebook
Deel op Twitter
Deel op Linkdin
Deel via mail

Gerelateerde berichten

Catch Legal