Op grond van een van de geldende bestemmingsplannen van de Gemeente Amsterdam is een souvenirwinkel alleen dan toegestaan in het geval dat op de verbeelding bij dat bestemmingsplan als zodanig is aangegeven. Voor sommige locaties is dat een beperking ten opzichte van het daarvoor geldende bestemmingsplan. De souvenirwinkel is in dat geval ‘wegbestemd’. Maar hoe zit het met voortgezet gebruik? Biedt het overgangsrecht uitkomst? Of een bepaald gebruik onder het overgangsrecht valt, is evenwel niet altijd gemakkelijk te bepalen. Op 11 april 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over een souvenirwinkel in het centrum van Amsterdam en geoordeeld over de vraag of met succes een beroep kon worden gedaan op het overgangsrecht (ECLI:NL:RVS:2018:1202).

Aanleiding van het geschil is dat de exploitant van een souvenirwinkel een besluit van het algemeen bestuur van de Gemeente Amsterdam heeft gekregen waarin staat dat een dwangsom wordt verbeurd als het gebruik van het winkelpand als souvenirwinkel niet binnen zes weken wordt gestaakt. Volgens het gemeentebestuur is het gebruik als souvenirwinkel namelijk in strijd met het bestemmingsplan. De exploitant is het niet eens met dit besluit en stelt achtereenvolgens bezwaar, beroep en hoger beroep in. Volgens de exploitant is de souvenirwinkel in strijd met de regels van het vigerende bestemmingsplan, maar valt het gebruik onder het overgangsrecht. Het als zodanig gebruiken van de winkel zou derhalve voortgezet mogen worden.

Volgens vaste rechtspraak moet degene die een beroep doet op de beschermende werking van het overgangsrecht van een bestemmingsplan dit bewijzen. In dit geval moet de exploitant dus bewijzen dat op de peildatum (dat is in dit geval de datum van inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan op 19 april 2013) het winkelpand werd gebruikt als souvenirwinkel. Het gebruik moet bovendien, kort gezegd, vanaf dat moment niet voor langere tijd zijn onderbroken. Complicerende factor is daarbij dat de huidige exploitant in maart 2014 pas huurder is geworden van het winkelpand. Niet ter discussie staat dat de exploitant in ieder geval vanaf dat moment een souvenirwinkel exploiteert in het pand. Bewezen moet derhalve worden dat de huurder vóór de huidige exploitant ook een souvenirwinkel exploiteerde.

Om dit te bewijzen heeft de exploitant foto’s, getuigenverklaringen, facturen en bedrijfsadministratie overgelegd van de huurder die hiervoor het pand huurde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) stelt vast dat aan de hand van de overgelegde informatie over de periode 2009 tot en met 2013 sprake was van een zelfde soort souvenirwinkel als die de huidige exploitant nu heeft.

Nu zou er volgens bepaalde verklaringen in de periode van 2009 tot en met 2013 (en dus ook na de peildatum) in het pand tijdelijk een minisupermarkt zijn gevestigd, waardoor het gebruik onder het overgangsrecht dus tijdelijk onderbroken is geweest. Dit kan een beroep op het overgangsrecht in de weg staan. Op grond van het bestemmingsplan is sprake van een minisupermarkt als ten minste 75% van de oppervlakte van de winkel wordt gebruik voor de verkoop van levensmiddelen. Uit de verklaringen blijkt niet dat dit het geval is geweest en het gemeentebestuur heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanwijzingen voor een andere conclusie. De Afdeling volgt het gemeentebestuur niet in het standpunt dat uit de vorige huurovereenkomst opgemaakt kan worden dat de winkelruimte alleen als een supermarkt is gebruikt. In de huurovereenkomst is het gebruik van het winkelpand omschreven als: “winkelruimte ten behoeve van supermarkt plus souvenirs”. Uit deze omschrijving valt niet te herleiden welk gedeelte als supermarkt en welk gedeelte als souvenirwinkel is gebruikt. De Afdeling concludeert dat niet aannemelijk is geworden dat de winkel op de peildatum als (mini)supermarkt in gebruik was. Nu de winkel op de peildatum een souvenirwinkel was, nog steeds is en dit gebruik in de tussentijd niet (lang) onderbroken is geweest, staat het overgangsrecht in de weg aan het handhavend optreden door het gemeentebestuur.
Voorlopig kan de exploitant dus verder met het exploiteren van de souvenirwinkel, maar let wel, het gebruik is ´wegbestemd´ in het vigerende bestemmingsplan en daarmee zijn de gebruiksmogelijkheden van het pand beperkt. Misschien een verzoek om planschade?

Catch Legal

Heeft u vragen over bovenstaand artikel? Neem gerust contact op met een van onze bestuursrechtjuristen.