Maandoverzicht rechtspraak Omgevingswet april 2024 (teller 2024: 731 uitspraken)

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Dat levert de nodige (relevante) rechtspraak op voor de omgevingsrechtpraktijk. Maandelijks kiezen twee collega’s van Catch Legal een paar interessante uitspraken en actualiteiten uit om te bespreken in deze blogreeks. Dit keer is het aan Taciane en Jitske om de uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd te bespreken.

Participatie, de ‘GoFlo’ en volgen jurisprudentie voor 1 januari

De eerste uitspraak die we bespreken, is een uitspraak van 5 maart 2024 (maar gepubliceerd op 2 april 2024) van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2024:3117).  In deze zaak gaat het over een verleende omgevingsvergunning voor een tijdelijke crisisnoodopvang voor 250 asielzoekers. Het gebruiken van gronden ten behoeve van een crisisnoodopvang is in strijd met het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan.

In de uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter over het doel van burgerparticipatie bij een omgevingsvergunning onder de Omgevingswet. Ook spreekt de voorzieningenrechter zich uit over een aantal inhoudelijke standpunten. Wij gaan in op de standpunten over burgerparticipatie, schade aan het landschap en alternatieve locaties.

Verzoekers stellen dat tijdens het proces te weinig participatie heeft plaatsgevonden en dat er onterecht niks is gedaan met hun zienswijze. Het college betwist dit standpunt: Zij hebben informatiebrieven verstuurd, een informatiebijeenkomst georganiseerd en er is een website opgezet met informatie over het project. Daarnaast is de aanvraag omgevingsvergunning onverplicht ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen.

De voorzieningenrechter vindt met het college dat niet in strijd is gehandeld met een wettelijk voorschrift of rechtsbeginsel. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt (r.o. 5.2.):

Met de inwerkingtreding per 1 januari 2024 van de Omgevingswet, is burgerparticipatie een nieuw instrument in het kader van de besluitvorming rond plannen in de leefomgeving. Met burgerparticipatie wordt echter niet beoogd om consensus of unanieme steun te bewerkstelligen voor besluiten in dat verband. Het doel van burgerparticipatie is om burgers in een vroegtijdig stadium te betrekken bij de besluitvorming en om hen daarin een stem te geven. Dit kan op verschillende manieren bijvoorbeeld door het organiseren van informatiebijeenkomsten, maar gaat niet zo ver dat de inbreng van verzoekers van beslissende betekenis is. Burgerparticipatie zoals dat in de Omgevingswet is vormgegeven kan het draagvlak bij de burger zeker vergroten, maar is geen resultaatsverplichting op een voor alle partijen aanvaardbare beslissing.”

Verzoekers stellen daarnaast dat door de benodigde werkzaamheden onherstelbare schade wordt aangericht aan het landschap. Hier is onvoldoende bij stilgestaan in de zogenaamde ‘GoFlo’-onderbouwing’ (afkorting van goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving) . De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de door het college ingediende ‘GoFlo’-onderbouwing voldoende blijkt dat er voldoende is onderzocht welke gevolgen kunnen ontstaan en dat er voldoende maatregelen worden getroffen (waaronder een ecologisch werkprotocol en aanwezigheid van een ecoloog) waardoor voldoende rekening is gehouden met de kwetsbaarheden in het gebied.

Tot slot betogen verzoekers dat onterecht geen onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties voor de crisisnoodopvang. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat het college in principe meewerkt als een project an sich voor het college aanvaardbaar is. Het college kan alleen geen medewerking aan de vergunning verlenen als op voorhand duidelijk is dat het project op een andere locatie tot een gelijkwaardig resultaat leidt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat is in deze zaak niet aan de orde. Hiermee zet de voorzieningenrechter kennelijk de oude jurisprudentielijn over alternatieve locaties door, ook onder de Omgevingswet.

Nog meer participatie, maar ook ETFAL

De tweede uitspraak die we bespreken is een uitspraak van 11 april 2024 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2024:2126).  Hierin wordt ingegaan op het toetsingskader ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL) in relatie tot sociale veiligheid en overlast. Daarnaast komt ook in deze uitspraak participatie aan bod.

Ook in deze zaak is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe een omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) dieziet op het gebruiken van gronden voor een noodopvang voor asielzoekers. Omwonenden (verzoekers) zijn het oneens met de omgevingsvergunning en hebben daartegen bezwaar ingediend. Daarnaast hebben zij verzocht om een voorlopige voorziening.

Verzoekers stellen zich (onder andere) op het standpunt dat de omgevingsvergunning in strijd is met ETFAL. Zij vinden dat de belangen met betrekking tot sociale veiligheid en overlast voor de omwonenden onvoldoende zijn meegewogen bij de besluitvorming. De voorzieningenrechter oordeelt dat de sociale veiligheid en de te verwachten overlast in dit specifieke geval (bij een noodopvang) naar zijn oordeel wél aspecten zijn die het college moet betrekken bij de beoordeling of sprake is van ETFAL, omdat er in dit geval een veiligheidplan is dat onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. In het veiligheidsplan worden randvoorwaarden gesteld om de veiligheid in de buurt zovel mogelijk te waarborgen en om overlast zoveel mogelijk te voorkomen.

Over de vraag of er voldoende participatie heeft plaatsgevonden oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Uit de Omgevingswet volgt dat participatie vormvrij is, maar dat het wel enige mate van betekenis moet hebben. Wat er in redelijkheid aan participatie moet worden gedaan, is afhankelijk van de aard van het project en de impact op de omgeving. Het doel van participatie is om betrokkenen zo vroeg mogelijk bij besluitvorming te betrekken, zodat het draagvlak vergroot kan worden. De voorzieningenrechter benadrukt dat participatie niet als doel heeft om tot een besluit te komen dat door alle betrokkenen unaniem wordt gedragen.

Toepassing bbl en overgangsrecht bij handhavingsbesluiten

De rechtbank Noord-Holland spreekt zich in de uitspraak van 28 maart 2024 (ECLI:NL:RBNHO:2024:3970), uit over de toepassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze zaak gaat het om een handhavingskwestie. Er is onder andere geconstateerd dat voorafgaand aan de werkzaamheden geen startmelding is gedaan en dat er geen gebruiksmelding (brandveilig gebruik en brandveiligheidsvoorschriften) is gedaan. In deze uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter dat het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Zaanstad (hierna: het college) handhavend kon optreden tegen het in gebruik nemen van het pand zonder eerst een gebruiksmelding te doen, maar dat het college niet handhavend mocht optreden tegen het nalaten van een startmelding van de bouwwerkzaamheden.

In de uitspraak komt naar voren dat op grond van artikel 6.7, eerste lid, van het Bbl ten minste vier weken voor het in gebruik nemen van een pand een gebruiksmelding moet worden gedaan. Het pand was inmiddels illegaal in gebruik genomen ten behoeve van een gezondheidszorgfunctie en een woonfunctie. Verder volgt uit de uitspraak dat er geen wettelijke consequenties zijn als er geen startmelding voor bouwwerkzaamheden is gedaan, in de zin van artikel 7.7 van het Bbl. Relevant voor de handhavingspraktijk is verder rechtsoverweging 15 van de uitspraak. Hieruit volgt dat alleen een overtreding van artikel 5.5 van de Omgevingswet kan worden opgenomen in een handhavingsbesluit, als de omgevingsvergunning die is verleend onder oud recht, onherroepelijk is geworden:

Verweerder heeft in de handhavingsbesluiten gesteld dat verzoeker artikel 5.5, eerste en tweede lid, Ow heeft overtreden. Daarin is – voor zover hier van belang – bepaald dat het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit respectievelijk een bouwactiviteit. De omgevingsvergunning van 5 oktober 2023 heeft evenwel (nog) niet te gelden als een omgevingsvergunning onder de Ow voor bedoelde activiteiten. Omdat tegen deze omgevingsvergunning bezwaar is gemaakt, is deze vergunning (nog) niet onherroepelijk. Op grond van artikel 4.12 IwOw geldt de omgevingsvergunning van 5 oktober 2023 daarom (nog) niet als een omgevingsvergunning als bedoeld in de Ow. De stelling in de handhavingsbesluiten dat sprake is van overtredingen van artikel 5.5 van de Ow kan reeds daarom in bezwaar geen standhouden.”

Overige interessante uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zit ook niet stil in april en heeft onder andere een spraakmakende uitspraak gedaan over de toepassing van het overgangsrecht als in (hoger) beroep een besluit op een aanvraag omgevingsvergunning wordt vernietigd, zie ABRvS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1719). Lees vooral onze blog hierover. Verder gaat de rechtbank Oost-Brabant inhoudelijk in op de actualisatieplicht van milieuvergunningen (artikel 5.38, eerste lid, Omgevingswet) na publicatie van de conclusies over de best beschikbare technieken (BBT’s), zie Rb. Oost-Brabant 12 april 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:1490.

Tot slot

In de uitspraken van de maand april zien we dat de rechtbanken steeds meer zaken op de rol krijgen die inhoudelijk interessant zijn voor de toepassing van de Omgevingswet. Zo zijn de eerste uitspraken over ETFAL en burgerparticipatie verschenen. Verder wordt in de jurisprudentie steeds duidelijk(er) hoe de Omgevingswet in de praktijk moet worden toegepast.

Over een maand leest u de opvallende uitspraken van de maand mei!

Interessant artikel?

Deel op facebook
Deel op Twitter
Deel op Linkdin
Deel via mail

Gerelateerde berichten

Catch Legal