Naar aanleiding van de Reparatiewet Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties 2014 mogen per 29 november 2014 stedenbouwkundige voorwaarden, waaronder begrepen parkeernormen, niet langer opgenomen worden in de gemeentelijke bouwverordening. Op 1 november 2014 is, gelet hierop, het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.2, aanhef, tweede lid en onder a) gewijzigd. Parkeernormen moeten een plaats krijgen in een bestemmingsplan of een beheersverordening. Op 9 september 2015 heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State twee uitspraken gedaan waarbij duidelijkheid wordt gegeven over de wijze waarop dit dient te gebeuren.

Ik bespreek beide uitspraken.

Bestemmingsplan Utrecht I

Op 18 december 2014 heeft de gemeenteraad van de gemeente Utrecht het bestemmingsplan “Kapperdoes” gewijzigd vastgesteld.

Een aantal appellanten betogen dat het bestemmingsplan niet voorziet in voldoende parkeerruimte. Zo wordt door appellanten betoogd dat artikel 15 van de planregels in strijd is met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). De betreffende planregel schrijft voor dat in geval van nieuwe ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of gewijzigd gebruik) op het eigen bouwperceel moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de extra parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling op te vangen. Daarbij moet worden uitgegaan van de parkeernormen zoals opgenomen in de CROW publicatie 317 “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie“. Volgens appellanten is ten onrechte geen precieze parkeernorm voorgeschreven in het bestemmingsplan.

De Afdeling overweegt dat met de inwerkingtreding van de Reparatiewet van 29 november 2014 de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening hun gelding verloren hebben in het geval van een bestemmingsplanwijziging (zoals hier het geval). De gemeenteraad van Utrecht heeft dat onderkend en heeft met het oog hierop in het bestemmingsplan planregels (artikel 15) ten aanzien van parkeren opgenomen. In deze planregel wordt vervolgens voor de parkeernormen verwezen naar de CROW-Publicatie. De Afdeling overweegt dat het college van burgemeester en wethouders bij de beoordeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen, aan de hand van het bouwplan en met inachtneming van artikel 15 van de planregels, zo nodig aan de hand van beleidsregels, gemotiveerd dient te bepalen welke parkeernorm moet worden toegepast. Dat vergt dan wel een nadere afweging van het college van burgemeester en wethouders, maar dat is volgens de Afdeling, gelet op het geregelde onderwerp en de strekking van de Reparatiewet, geen probleem. Er is geen sprake van strijd met de rechtszekerheid of artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro. Tegen de in de toekomst te verlenen omgevingsvergunning, waarbij de parkeernorm zal worden vastgelegd, kunnen bovendien eventuele bezwaren naar voren worden gebracht.

Zie voor de gehele tekst van de uitspraak: ECLI:NL:RVS:2015:2851.

Bestemmingsplan Utrecht II

Niet lang daarvoor heeft de gemeenteraad van de gemeente Utrecht nog een bestemmingsplan vastgesteld. De parkeernorm is ook hier onderwerp van geschil. De wijze waarop dit bestemmingplan invulling geeft aan artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro wordt door de Afdeling niet als voldoende aangemerkt.

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de gemeenteraad van de gemeente Utrecht het bestemmingsplan “KPN Campus Fockema Andreaelaan, Rubenslaan e.o.” vastgesteld. Omdat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen vreest appellant dat het plan leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk in de woonbuurt. Volgens de gemeenteraad is deze vrees onterecht: op eigen terrein zal in de parkeerbehoefte worden voorzien. De parkeerdruk in de wijk zal derhalve niet toenemen. In artikel 8 van de planregels van het bestemmingsplan is opgenomen dat voor de verschillenden bestemmingen aangewezen gronden op grond van het bepaalde in de planregels slechts worden bebouwd en gebruikt onder de voorwaarden dat voldoende parkeergelegenheid voor auto’s wordt gerealiseerd of in stand wordt gehouden. De Afdeling overweegt dat, voor zover de gemeenteraad heeft beoogd met gebruikmaking van artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro een planregel te formuleren die ertoe leidt dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunningen voor bouwen zal worden getoetst aan het gemeentelijk parkeerbeleid en de daarbij behorende parkeernormen, dit niet volgt uit de planregels. Immers, uit de planregel volgt niet dat bij de invulling van het begrip ‘voldoende parkeergelegenheid’ aan dit beleid dient te worden getoetst. Bovendien is, anders dan het artikel in het Bro voorschrijft, in de planregel niet aangegeven op de uitoefening van welke bevoegdheid het artikel in de planregels betrekking heeft. Zodoende biedt de planregel volgens de Afdeling onvoldoende waarborg om te worden gehanteerd als toetsingsnorm bij de aanvraag om omgevingsvergunning. De Afdeling merkt daarbij op dat in het artikel opgenomen kan worden dat ‘voldoende’ in dit geval betekent dat voldaan wordt aan de normen in de beleidsregels die zijn neergeld in beleid.

Zie voor de gehele tekst van de uitspraak: ECLI:NL:RVS:2015:2837.

In bovenstaande uitspraken wordt nog maar eens bevestigd dat parkeernormen, ook voor de toekomstige ontwikkelingen, niet meer thuis horen in de bouwverordening maar in een bestemmingsplan of beheersverordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarnaast uit de planregels voldoende blijken of voorzien kan worden in de parkeerbehoefte.

Catch Legal, Tanne van Wissen.

Vreest u voor parkeeroverlast bij een nieuwe ontwikkelingen? Neem gerust contact op. Wij kunnen voor u beoordelen of in het planologisch besluit voldoende rekening is gehouden met de parkeersituatie.