Verjaring verandert bij het innen van een dwangsom!

Zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer hebben recent de ‘Evaluatiewet bestuursrechtelijke geldschuldregeling Awb’ (hierna: Evaluatiewet) aangenomen. Zoals de naam al doet vermoeden is er een evaluatie geweest over de geldschuldregeling in de Algemene wet bestuursrecht. Naar aanleiding daarvan is deze Evaluatiewet in procedure gebracht. Deze wet verandert onder andere de verjaringstermijn bij het innen van een dwangsom (titel 4.4 Algemene wet bestuursrecht). In deze blog staan wij stil bij deze veranderingen.

Titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gaat zowel over geld dat de burger aan de overheid moet betalen (boetes en dwangsommen) als over geld dat de overheid aan de burger moet betalen (uitkeringen en subsidies). Deze blog gaat over de eerste variant en dan specifiek over het innen van dwangsommen. In 2018 schreven wij al eerder een blog over de aandachtspunten bij de invordering van dwangsommen.

De last onder dwangsom

Voordat er een dwangsom kan worden geïnd moet er een last onder dwangsom zijn opgelegd. De last onder dwangsom is een herstelsanctie (artikel 5:31d  van de Awb). Wanneer er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift dan kan een bestuursorgaan een verplichting (de last) opleggen om de overtreding te beëindigen. Aan deze last koppelt het bestuursorgaan dan een geldbedrag (de dwangsom). De overtreder moet de dwangsom betalen wanneer hij de overtreding niet op tijd beëindigt.

De overtreding van de coronaregels door een horeca-exploitant is een reden waarvoor een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Een voorbeeld hiervan is de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland die een last onder dwangsom oplegt aan een horeca-exploitant om te voorkomen dat hij nog een keer een bijeenkomst organiseert zonder dat daarbij 1,5 meter afstand tussen personen wordt gehouden (ABRvS 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4379). De last onder dwangsom kan worden gekoppeld aan een termijn waarbinnen de overtreding moet zijn gestaakt, of de last onder dwangsom kan per overtreding worden opgelegd. Bij het overtreden van de coronaregels is het logischer om een dwangsom per overtreding op te leggen. De horeca-exploitant verbeurt bij de volgende overtreding dan een dwangsom (artikel 5:32b van de Awb).   

Ook illegale bewoning van een recreatiewoning is een voorbeeld van een overtreding van een wettelijk voorschrift waarvoor het bestuursorgaan een last onder dwangsom kan opleggen. De last houdt dan in dat de illegale bewoning van de recreatiewoning moet worden gestaakt. Bij het bewonen van een recreatiewoning is sprake van een permanente overtreding en is het logisch om de overtreder een termijn te geven om de overtreding te staken en gestaakt te houden. Als er na de gestelde termijn nog steeds sprake is van een overtreding (de illegale bewoning) dan verbeurt de overtreder een dwangsom.

Het invorderen van de dwangsom

Wanneer de recreatiewoning na de gestelde termijn bewoont blijft of de horeca-exploitant de coronaregels nog een keer overtreedt dan is er automatisch een dwangsom verschuldigd aan het bestuursorgaan dat de last heeft opgelegd. De dwangsom verbeurt namelijk van rechtswege. De verbeurde dwangsom moet binnen zes weken betaald zijn (artikel: 5:33 van de Awb). Als dat niet gebeurt dan verzendt het bestuursorgaan een invorderingsbeschikking aan de overtreder (artikel 5:37 van de Awb). Als de overtreder na de invorderingsbeschikking de dwangsom nog niet betaalt dan kan het bestuursorgaan een aanmaning sturen (artikel 4:112 van de Awb) en vervolgens nog een dwangbevel (artikel 4:114 van de Awb).

Op grond van artikel 5:37 van de Awb kan een (derde-)belanghebbende verzoeken tot invordering van de dwangsom. Een voorbeeld hiervan is een omwonende die overlast ervaart van een horecabedrijf dat langer openblijft dan is toegestaan. Iedere belanghebbende kan een invorderingsverzoek doen. Het hoeft dus niet per se te gaan om een belanghebbende die in een eerder stadium heeft verzocht om handhaving bij het bevoegd gezag vanwege de (vermeende) overtreding.

De verjaringstermijn verloopt op grond van de huidige wetgeving één jaar na de dag van het verbeuren van de dwangsom (artikel 5:35 van de Awb). Een invorderingsbeschikking stuit de verjaring niet, maar een aanmaning wel. Met andere woorden: een aanmaning zorgt er wel voor dat de verjaringstermijn niet verloopt, maar een invorderingsbeschikking niet. Met de aanmaning begint de verjaringstermijn van één jaar opnieuw te lopen (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:667).

Het bestuursorgaan moet dus binnen één jaar zowel de invorderingsbeschikking als de aanmaning hebben verstuurd. In de praktijk blijkt dat deze verjaringstermijn problematisch is omdat binnen dat jaar nog niet altijd de uitkomst van een bezwaar of (hoger) beroepsprocedure duidelijk is. De overtreder kan namelijk eerst in bezwaar bij het bestuursorgaan dat de last heeft opgelegd en daarna in beroep bij de rechter tegen de last onder dwangsom en/of de invorderingsbeschikking. Het is niet altijd wenselijk om tot invordering over te gaan als het handhavingsbesluit nog niet onherroepelijk is.

Veranderingen bij het invorderen van de dwangsom

Op grond van de Evaluatiewet blijft het uitgangspunt dat de dwangsom na één jaar verjaart, maar in artikel 5:35 van de Awb wordt een tweede lid ingevoegd. Op het moment dat een overtreder bezwaar, beroep of hoger beroep aantekent tegen de last onder dwangsom dan verjaart de dwangsom niet voordat onherroepelijk op het bezwaar, beroep of hoger beroep is beslist. Wanneer in ons voorbeeld de bewoner van de recreatiewoning of de horeca-exploitant een procedure start, is er dus pas sprake van verjaring als de uitkomst van die procedure duidelijk is. Hierdoor kan het dus in de praktijk voorkomen dat de verjaringstermijn in totaal langer is dan één jaar.

Daarbij wordt er een nieuw artikel ingevoegd, namelijk 5:37a van de Awb. Hierin komt te staan dat voortaan ook de invorderingsbeschikking de verjaring stuit. Nu is dat dus pas het gevolg bij volgende de stap, namelijk bij de aanmaning.

Ook op het moment dat een belanghebbende – zoals de omwonende die overlast ervaart – een verzoek indient tot invordering van een dwangsom wordt de verjaring gestuit. De verjaringstermijn wordt dan verlengd tot het moment dat onherroepelijk op het verzoek van de belanghebbende is beslist. Wanneer het invorderingsverzoek van de belanghebbende wordt afgewezen of niet op tijd wordt beslist dan wordt de verjaring ook gestuit. De belanghebbende heeft dan nog de kans om in bezwaar, beroep of hoger beroep te gaan tegen de afwijzing van zijn invorderingsverzoek of in beroep of hoger beroep te gaan tegen het niet tijdig beslissen op zijn invorderingsverzoek.

Kort door de bocht zijn er dus drie veranderingen. Een bezwaar, beroep of hoger beroep van de overtreder tegen de last onder dwangsom stuit de verjaring totdat daar onherroepelijk op is beslist. Datzelfde geldt voor een verzoek tot invordering van de dwangsom van een belanghebbende. Als laatste stuit de invorderingsbeschikking voortaan ook de verjaring.

Tot slot

De nieuwe regel dat ook een invorderingsbeschikking stuitende werking heeft, geldt voor invorderingsbeschikkingen gegeven ná inwerkingtreding van de Evaluatiewet. Bij invorderingsbeschikkingen gegeven vóór inwerkingtreding van de Evaluatiewet verjaart de last onder dwangsom dus wel na één jaar tenzij er een aanmaning wordt verzonden, ook al is de Evaluatiewet in werking getreden. De andere veranderingen gaan wel ‘gewoon’ in op het moment dat de Evaluatiewet in werking treedt. De Evaluatiewet is in werking getreden op 1 april 2021.

Catch Legal, Lukas Steevensz

Heeft u vragen met betrekking tot handhaving of een andere bestuursrechtelijke vraag? Neem dan contact op met een van onze juristen. Zij helpen u graag verder.

Interessant artikel?

Share on facebook
Deel op facebook
Share on twitter
Deel op Twitter
Share on linkedin
Deel op Linkdin
Share on email
Deel via mail

Gerelateerde berichten

Catch Legal