Op 17 augustus 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in het hoger beroep dat appellante heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank waarin is geoordeeld dat een expediteur van sterke drank geen slijtersbedrijf is in de zin van de Drank- en Horecawet. Deze uitspraak hebben wij in een eerder artikel besproken.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) overweegt in zijn uitspraak dat voor het uitoefenen van een slijtersbedrijf is vereist dat het verstrekken van sterke drank tot de bedrijfsuitoefening behoort dan wel dat de verstrekker daarvoor wordt betaald door degene aan wie de sterke drank wordt verstrekt. Het bedrijf dat sterke drank bezorgt, is naar oordeel van de Afdeling geen slijtersbedrijf aangezien zij zelf geen sterke drank op voorraad heeft en ook niet verkoopt. Zij vervoert en bezorgt enkel de door haar opdrachtgevers aangeleverde pakketten en kent de inhoud van de pakketten niet. Kort gezegd, behoort het verstrekken van drank niet tot de bedrijfsuitoefening van het desbetreffende bedrijf.

De Afdeling onderschrijft daarmee de uitspraak van de rechtbank waarin is overwogen dat de expediteur geen slijtersbedrijf is in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW). De burgemeester van de gemeente Best was dus niet bevoegd om handhavend op te treden wegens overtreding van artikel 3 van de DHW (het uitoefenen van een slijtersbedrijf zonder Drank- en Horecawetvergunning).

Catch Legal, Merel Brinkman.

Meer weten? Neem gerust contact op.