Omgevingswet

Alles in één

Het omgevingsrecht is een complex rechtsgebied. De vele verschillende wetten en wettelijke regelingen zijn toegespitst op ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, water, duurzaamheid enzovoorts. Aan elk van de omgevingsaspecten zijn andere eisen en uitgangspunten verbonden, wat het ingewikkeld maakt om met de regelgeving te werken en waardoor projecten lange procedures moeten doorlopen voordat ze doorgang kunnen vinden.

Om die reden zal – naar verwachting – op 1 januari 2021 de Omgevingswet in werking treden. Het omvangrijke omgevingsrecht wordt samengevoegd in deze ene wet, waarin de ‘fysieke leefomgeving’ centraal staat. Plannen die betrekking hebben op de ‘fysieke leefomgeving’ zullen beter op elkaar worden afgestemd, omdat integrale afwegingen moeten worden gemaakt. Dat  betekent dat direct rekening gehouden wordt met alle verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Bovendien beoogt de Omgevingswet duurzame projecten te stimuleren. Ten slotte krijgen gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte om hun eigen omgevingsbeleid in te richten, afgestemd op de lokale behoeften en doelstellingen.

Klik hier voor de meest actuele geconsolideerde versie van de Omgevingswet.

Instrumenten onder de Omgevingswet

Het wetsvoorstel roept ook een aantal andere instrumenten in het leven, die bepalend zijn voor het regelen van de fysieke leefomgeving. Zo zullen zowel op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau de omgevingsvisies en bijbehorende programma’s de richtinggevende beleidsstukken zijn. Daarnaast wordt regelgeving neergelegd in verschillende algemeen verbindende voorschriften, namelijk het omgevingsplan (op gemeentelijk niveau), de (provinciale) omgevingsverordening en algemene rijksregels. Het omgevingsplan kan worden aangepast wanneer een projectbesluit wordt genomen. Daarin staat beschreven hoe een specifiek project zal worden uitgevoerd en welke maatregelen, voorzieningen en eventuele aanpassingen in het omgevingsplan daarvoor nodig zijn. Individuele toestemming in de vorm van een omgevingsvergunning blijft bestaan. Hieronder worden de omgevingsvisie, het programma, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en de Rijksregels besproken.

Omgevingsvisie
Het wetsvoorstel voorziet in een omgevingsvisie die in de plaats zal treden van de huidige structuurvisie (hoofdstuk 2 van de Wet op de ruimtelijke ordening, verder: Wro). De reikwijdte van de omgevingsvisie is ruimer dan die van de structuurvisie. De omgevingsvisie heeft niet slechts betrekking op de ruimtelijke ordening, maar op de gehele fysieke leefomgeving, waaronder bijvoorbeeld ook water, de bodem en cultureel erfgoed vallen. In de omgevingsvisies moeten in ieder geval de hoofdlijnen van het beleid over de fysieke leefomgeving en de voorgenomen ontwikkelingen op het betreffende grondgebied worden opgenomen. Op rijksniveau is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties verantwoordelijk voor het vaststellen van de nationale omgevingsvisie (NOVI). Provinciale Staten moeten de provinciale omgevingsvisie (POVI) vaststellen en gemeenteraden een gemeentelijke omgevingsvisie (GOVI).

Omgevingsplan
Het omgevingsplan is een instrument op gemeentelijk niveau en vervangt de huidige bestemmingsplannen. Behalve algemene regels zal het omgevingsplan regels voor functies op locaties bevatten. In bestemmingsplannen vormt een ‘goede ruimtelijke ordening’ het uitgangspunt. Planregels hebben nu betrekking op ruimtelijk relevante onderwerpen. Het uitgangspunt in omgevingsplannen is breder en ziet niet alleen op de ruimtelijke ordening, maar ook op een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Regels die daarover gaan en nu zijn neergelegd in verschillende verordeningen (bijvoorbeeld: delen van de Algemene plaatselijke verordening, de Bomenverordening en de Erfgoedverordening), worden geïntegreerd in het omgevingsplan.

Een ander verschil tussen het bestemmingsplan en het omgevingsplan is dat de gemeenteraad onder de Omgevingswet slechts één omgevingsplan kan vaststellen voor het gehele grondgebied. Daarmee moet de versnippering van vele verschillende bestemmingsplannen (waaronder zogenaamde postzegelbestemmingsplannen, voor zeer kleine stukken grond) worden voorkomen. Het is wel mogelijk om het omgevingsplan per thema of gebied te wijzigen. Nieuw is dat de gemeenteraad de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van een omgevingsplan kan overdragen aan het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college). Net als bij het bestemmingsplan zal het college een omgevingsplan kunnen uitwerken of wijzigen.

De Crisis- en herstelwet biedt gemeenten de mogelijkheid om al vóór de komst van de Omgevingswet te experimenteren met omgevingsplannen. In meerdere gemeenten zijn bijvoorbeeld al zogenoemde bestemmingsplannen met ‘verbrede reikwijdte’ vastgesteld.

Omgevingsverordening
Op provinciaal niveau bestaat de verplichting voor Provinciale Staten om een omgevingsverordening vast te stellen. Een omgevingsverordening bevat algemene regels, regels over melding- en vergunningplichten, instructieregels en regels over omgevingswaarden worden vastgesteld. De algemene regels en die over melding- en vergunningplichten richten zich tot burgers en bedrijven; de instructieregels gaan over de uitvoering van bevoegdheden en richten zich tot bestuursorganen. Omgevingswaarden zijn normen die worden gesteld aan omgevingsaspecten, waaraan moet worden voldaan door het naleven van – onder meer – de algemene regels.

Net als bij het omgevingsplan wordt voor het provinciale grondgebied één omgevingsverordening vastgesteld en kan Provinciale Staten de bevoegdheid daartoe deels overdragen aan Gedeputeerde Staten.

Algemene rijksregels
In 4 algemene maatregelen van bestuur wordt de Omgevingswet verder uitgewerkt. Dit zijn het Omgevingsbesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Het Omgevingsbesluit (Ob) richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit vult de Omgevingswet aan als het gaat om procedurele regels, bevoegdheidsverdeling, de milieueffectrapportage, financiële bepalingen en het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO).

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten gaan uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Die regels zien op de veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Soms is voor deze activiteiten een vergunning nodig, bijvoorbeeld vanwege technische eisen aan het bouwwerk of vanwege regels in het gemeentelijke omgevingsplan. In het Bbl worden voor ‘kleine’ bouwactiviteiten uitzonderingen gemaakt op die vergunningplicht.

Ook het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels over het uitvoeren van activiteiten in de fysieke leefomgeving en richt zich tot burgers en bedrijven. Zo schrijft het Bal onder andere voor wanneer je een meldingsplicht hebt voordat je bepaalde activiteiten mag uitvoeren en wanneer omgevingsvergunningen nodig zijn. De regels in het Bal dienen ter bescherming van het milieu, waterstaatwerken, (spoor)wegen, zwemmers en cultureel erfgoed.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) liggen de inhoudelijke normen waar gemeenten, provincies waterschappen én het Rijk zich aan moeten houden, om nationale doelstellingen te behalen en aan internationale verplichtingen te voldoen. Zo zijn onder meer omgevingswaarden opgenomen, waaraan de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving moet voldoen. Ook zijn zogenaamde beoordelingsregels opgenomen, die worden gehanteerd bij het beoordelen van aanvragen omgevingsvergunningen.

Stand van zaken

Vanwege de vele veranderingen staat er nog een hoop te gebeuren voordat de Omgevingswet op 1 januari 2021 in werking kan treden. De Omgevingswet is op 26 april 2016 gepubliceerd in het Staatsblad. De Invoeringswet Omgevingswet is nog in behandeling bij de Eerste Kamer, net als de verschillende Aanvullingswetten en -besluiten die zien op bodem, geluid, grondeigendom en natuur. In de eerste helft van 2020 worden de laatste adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State verwerkt en dient alle regelgeving gepubliceerd te worden. Halverwege 2020 wordt definitief door de Eerste en Tweede Kamer besloten of het nieuwe stelsel daadwerkelijk per 1 januari 2021 in werking zal treden.